
Boekborrel, Amstelhuis Amsterdam, 21 april 2024
‘Wat was het een rotoorlog,’ besloot mijn vader, en mijn redacteur, zijn allerlaatste correctieronde van de tekst voordat deze naar de drukker ging. ‘Alle oorlogen zijn rotoorlogen. Moge dit alle ‘Luuks’ bespaard blijven.’ Hij doelde op Luuk, de hoofdpersoon in mijn boek, een gewone jongen van begin 20, die bruusk uit zijn ontluikend leventje wordt gerukt en achter een mitrailleur geplaatst, om in een Catalina-vliegboot de opstomende Japanse vloot tegen te houden. Een wereld van bommen, dogfights en de dood. Onwerkelijk. En diep traumatiserend. ‘Ja,’ beaamde ik, ‘moge dit alle jonge mensen van nu en later bespaard blijven.’
De volgende dag stierf Aaron Bushnell, een jongeman van 25, voor de Israëlische Ambassade in Washington DC. Hij stak zichzelf in brand. Voorafgaand aan zijn wanhoopsdaad maakte Aaron een video waarin hij zegt: ‘I am an active member of the US Air Force and I will no longer be complicit in genocide. Free Palestine.’ Nadien stroomden sociale media over van veteranen die zich uitspreken. Tegen oorlog. Voor een cease fire.
Alle oorlogen zijn rotoorlogen. Ik denk dat iedereen hier, het daar wel mee eens is. We voelen compassie voor de burgers, aan welke zijde zij zich van het conflict dan ook mogen bevinden. Mannen, vrouwen en kinderen, die hun leven geruïneerd zien, tot aan de dood aan toe. We zien het onrecht en het lijden, en we weten: dit zijn gewone mensen zoals jij en ik, die willen genieten van een rustig leven, met familie en vrienden. Meer niet. Mensen die simpelweg op het verkeerde moment op de verkeerde plek zijn. En toch kennen we oorlog na oorlog na oorlog. Tot op de dag van vandaag. De geschiedenis herhaalt zich. Waarom? Wat zien we niet?
‘Either you are with us, or against us.’ Hoe vaak hebben we dit wel niet gehoord. Media en machthebbers doen ons graag geloven dat er twee soorten mensen zijn: vriend en vijand. Alsof het leven een Hollywood-film is met de good guys en de bad guys. Maar wie zijn dan die bad guys? Niet de burgers, zoals we zojuist zagen. Zijn de bad guys dan de jonge mensen die, al dan niet vrijwillig, in het leger dienen? Zijn zij geen gewone mensen zoals jij en ik? De soldaten van nu. Aaron. En Luuk in mijn boek. Of zijn we misschien iets, ergens onderweg in dit leven, vergeten?
Jaren geleden ontdekte ik dat mijn opa tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië tegen de Japanners streed. Opgeroepen als reservist bij de Marine Luchtvaartdienst wegens de dreiging van een invasie van Japan, werd Fred commandant van een vliegtuiggroep Catalina’s, en commandant van zijn eigen Cat. Wrang, want hij wist zichzelf zijn leven lang een pacifist. Voor zijn 33e verjaardag, 8 december 1941, kreeg hij de oorlog cadeau. De Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor werd door de Japanse luchtmacht weggevaagd en in navolging van Amerika verklaarde Koningin Wilhelmina Japan de oorlog. Drie maanden wisten de Nederlanders samen met de geallieerden stand te houden, maar begin maart 1942 moest Indië zich overgeven. Te weinig man, te weinig materieel. En de geallieerde samenwerking, met name de communicatie, was op z’n zachtst gezegd gebrekkig.
Een paar dagen voor capitulatie evacueerde de MLD naar Colombo, Sri Lanka, en bracht mijn opa in zijn Cat de hoogste pief van het leger, Admiraal Helfrich, in veiligheid. Fred, gescheiden van zijn vrouw Maria en twee jonge zoontjes, die achterbleven op Java en niet veel later in een interneringskamp gevangen werden gezet, begon een dagboek zodat hij zijn ervaringen niet zou vergeten en zodat Maria deze, na de oorlog, terug zou kunnen lezen. Helaas hield hij dit niet vol. En aangezien m’n beide grootouders al waren overleden toen ik dit allemaal ontdekte, en ik weinig wist over Indië, de Pacific War en al helemaal niets over Catalina’s, en ik alles wilde weten, zat er niets anders op dan zelf op onderzoek uit te gaan.
Het bracht me al gauw bij Prudent Staal. Tezamen met de vereniging Vrienden van de Catalina hield hij een heuse vliegboot in de lucht, waar je een tochtje in kon maken. Hij nodigde me uit de Cat te komen bezoeken in de hangaar in Lelystad. Jeetje, Pru, ik meen het, toen jouw mailtje binnenkwam sprongen de tranen in mijn ogen. Iets roerde zich in mij. Iets waar ik geen weet van had en wat gezien moest worden. Toen ik de Cat, de Karel Doorman, een opgeknapte Catalina die in de oorlog drie Duitse onderzeeboten tot zinken had gebracht, zag daar in Lelystad, hoe machtig mooi zij was, hoe groot en vooral hoe écht, toen wist ik: daarin moet ik vliegen.
Dat heb ik dan ook twee keer mogen doen. De eerste keer samen met Robbie, mijn vader, en mijn man Sanne. Het geweld van de motoren. Het mechanische. Alles is hands on. Niets geen software die ook maar iets bestuurt. Het hangen in de lucht, het briljante zicht vanuit de blisters! En dan. Wohooo, de Splash & go. Ik overdrijf niet. Een van de mooiste ervaringen in mijn leven. De landing van de Cat op het water, de watergordijnen langs de ramen, als een reusachtige speedboot over het water razen en dan weer opstijgen. We zijn airborne! Of in de blister gedrukt worden als de Cat zich in een scherpe bocht kiept. Een onovertroffen gevoel van geluk. Je ziet het op de gezichten van onze medepassagiers in het filmpje, dat Sanne en ik van onze tweede vlucht maakten. Het doet me denken aan het gezichtje van een baby die je speels in de lucht gooit. Het kindje straalt van puur plezier, is vervuld van vertrouwen dat het weer opgevangen wordt. Eenzelfde plezier en vertrouwen gaf de Cat mij. En mij niet alleen.
‘Zo’n reusachtige metalen vogel een schuimspoor door glad water zien trekken, moeiteloos de hemel in zien glijden – een machtig gezicht,’ las ik in een van de dagboeken van vliegers die ik vond in het NIMH. Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. Waar Fred Bruijn mijn enthousiasme deelde, telkens wanneer ik een mooie vondst opduikelde over die andere Fred, mijn opa. Uit vele passages in de gevonden dagboeken bleek dat de bemanningen van hun vliegboot hielden als was het een trouwe hond. Dagelijks doorstond de Cat lange, gevaarlijke tochten, die al gauw zestien uur duurden (dat is naar New York en terug, en dat iedere dag). Ik begreep dat ik iets dergelijks had gevoeld, niet alleen tijdens de vlucht, maar al toen ik de Karel Doorman aan zag komen vliegen bij vliegveld Lelystad. Aan hóórde komen vliegen. Want eerst was er het geluid van de torren, van de motoren, voor de Cat zelf aan de horizon verscheen. Mijn hart sprong op, rende ervandoor. Heus waar. En voor ik het wist stond ik, net als alle anderen om me heen, te zwaaien en te lachen op het bordes. Pas later leerde ik dat het voor velen het geluid van de vrijheid is geweest, omdat zij met een Catalina gered zijn uit de interneringskampen. Net als mijn vader Robbie, zijn broer Jan en hun moeder Maria.
De mooiste vondst in het NIMH aangaande mijn grootvader is dan ook een telegram uit oktober 1945. Fred had eindelijk weten te achterhalen waar zijn vrouw en zoontjes zich bevonden. Na de bevrijding op 15 augustus zaten ze nog steeds in het kamp gevangen omdat het er veiliger was dan er buiten. En Fred besloot toen, een typisch staaltje Van der Hoeden, om ze dan maar zelf te gaan redden. In een Cat liet hij ze door een maatje overvliegen naar Australië. In het telegram, mijn mooiste vondst, bericht de Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten de marine staf, nadat hem deze reddingsactie ter ore is gekomen. Hij zegt: “Ben zeer ontstemd over het eigenmachtig optreden van Luitenant Van der Hoeden en Stegeman die eigen vrouwen hebben geëvacueerd per Marine Catalina.” Fred heeft er nog een paar dagen voor in het gevang gezeten. En terug in Nederland moest hij voor de rechter verschijnen. Deze barstte in lachen uit en wuifde de aanklacht weg. Hikkend zei hij: ‘Ik geef u groot gelijk.’

Terug naar de dagboeken van de MLD’ers Arnout, Juta, Willems en Cillekens. Deze dagboeken puilden uit van de prachtige verhalen. Waaruit niet alleen de liefde voor de Cat sprak. Maar ook de vele angstige momenten in de lucht, met name de confrontaties met Zero’s. Extreem licht waren deze Japanse jagers sneller en behendiger dan ieder ander vliegtuig. De Zero klom als hoogste aan de hemel en kon aldaar het gevecht nog aangaan. Het vliegbereik was twee keer verder dan van de geallieerde jagers en honderden kilometers van de thuisbasis of het vliegdekschip spoorden piloten vijanden op, gingen de strijd aan en keerden moeiteloos terug. De Zero was zonder meer Heerser der Hemelen te noemen. Zonder Zero hadden de Japanners nooit zo ver kunnen komen. Het keerpunt van de Pacific War wordt dan ook toegeschreven aan twee dingen: de slag bij Midway en de Akutan Zero. Een Zero, neergestort op het eiland Akutan, Alaska. Gevonden door de Amerikanen, intact, ergens in de zomer van 1942. Ze repareerden het vliegtuig, lieten het testen door piloten en bedachten een tactiek om de Zero te verslaan.
Dit was te laat voor de Catalina’s van Nederlands-Indië. Voor hen was de Zero een nachtmerrie. De vliegboot is geen jager maar een logge dame, bedoeld voor verkenningen en konvooieren. Ze is traag en weinig wendbaar. De vliegers waren hun missies dan ook dodentochten gaan noemen. De kans dat je een formatie Zero’s trof werd groter met de dag, hoe verder de Japanse vloot oprukte naar Java. De beste tactiek was je te verschuilen in een wolk. Maar wat doe je als je op tocht moet op een stralende dag, geen wolkje aan de lucht? Je hebt geen schijn van kans. Veel Catalina’s zijn afgeschoten en in zee gestort.
Eén dagboekverhaal, waarbij de bemanning watertrappend te water ligt, de zinkende vliegboot verlaten, neemt een verrassende wending.
De drie Zero’s keren, razen op de mannen in het water af om het werk met hun mitrailleurs af te maken. Maar tot grote verbazing van de jongens in zee, en die van mij, schieten de Zero’s laag over het water aan hen voorbij en brengen, in het passeren, de verliezers saluut. En dit gebaar vervulde mij van hoop. Want ik las hierin dat de Japanners, net als de Nederlanders en de Aussies, de Engelsen en de Amerikanen, dat deze Japanse piloten, gewone jongens waren. Uit het dagelijks leven weggerukt en achter een mitrailleur gezet.
‘De Zero was een droom,’ las ik in een boek van een Zero piloot, Saburo Sakai. ‘Het meest gevoelige vliegtuig dat ik ooit vloog en de minste druk van een vinger resulteerde in een onmiddellijke reactie.’ Waar had ik dit enthousiasme eerder gehoord? Sakai sprak evenzo liefdevol over zijn Zero als de Hollandse vliegers over hun Cat. Misschien, dacht ik, verschilden die jongens in wezen niet zoveel van elkaar. Saburo was een Ace. In meer dan 200 missies verloor hij nooit een wingman, wel werd hij zelf een keer in zijn hoofd geschoten, en hij haalde in totaal 64 geallieerde vliegtuigen neer. Maar nooit een Catalina. Hij zegt: ‘Catalina's kwamen binnen op bewolkte dagen, vlogen langzaam op een hoogte van 1500 voet en maakten rustig foto's van onze grondinstallaties en vliegtuigen. De piloten waren verbazingwekkend. Met hun logge, trage vliegtuigen zouden ze een gemakkelijke prooi moeten zijn, maar we slaagden er nooit in om ook maar één Catalina te onderscheppen. Telkens als het luchtalarm afging, schoten tientallen van onze piloten de lucht in, maar steevast glipten de Catalina's in het zware wolkendek en ontsnapten ongedeerd. Hun foto's, genomen op zo'n lage hoogte, moeten de geallieerden alles verteld hebben wat ze wilden weten over onze luchteenheden.’
Verdere research aangaande Saburo nam eveneens een verrassende wending. Online vond ik een videofragment, dat van ver na de oorlog dateerde. Saburo poseert, terwijl hij grijnzend wijst naar het kogelgat in zijn pilotenkap in zijn hand, samen met een Amerikaanse vlieger voor een fotograaf. De Amerikaan slaat een arm om hem heen en steekt zijn duim op naar de camera. Een uiterst geanimeerd gesprekje volgt tussen de twee. ‘232 gaten boorde je in mijn vliegtuig,’ zegt de Amerikaan, waarop de mannen in lachen uitbarstten en elkaar in de armen vallen.
Ik was diep getroffen door de draai van 180 graden die de twee moeiteloos maakten. Van vijanden naar vrienden. De zuiverende werking van die ontmoeting boende de wereld een stukje schoner van schuld en verdriet en lelijkheid. Er was iets geheeld. Sakai zegt hierover: ‘Dit is voor mij echt het meest indrukwekkende feit van allemaal; dezelfde mensen die zo lang geleden onder mijn mitrailleurs lagen, boden oprecht vriendschap aan.’
Meermaals is hem gevraagd opnieuw te dienen bij de Japanse luchtmacht. Altijd heeft hij bedankt. Sakai werd boeddhist, zwoer nooit meer te doden, zelfs geen mug.
Hebben de Japanners dan geen gruwelijkheden begaan? Jazeker wel. Verhalen te over. En dat allemaal uit hebzucht. Want Japan wilde de grondstoffen, die het zelf niet had, van Indië hebben. Met name de olie, het zwarte goud. Maar waren de Nederlanders niet minstens zo hebberig toen zij zich Indië toe-eigenden? Een inlijving die gepaard ging met ongekende gewelddadigheid jegens de lokale bevolking. En wat dacht je van de latere politionele acties? Nee, de Japanners waren niet anders. Maar de speelsheid van het brengen van saluut aan hen die deze ronde hadden verloren en te water lagen, bleef me bij. Net als vele andere mooie dagboekfragmenten. Vergeten verhalen. En die prachtige vliegboot, die logge dame, met haar ronkende motoren!
Destijds maakte ik documentaires en ik begon een filmplan te schrijven. Want de vergeten verhalen konden wel wat hulp gebruiken. De dagboeken, op zichzelf, waren voor mij als leek moeilijk te volgen, zonder kennis van de ins en outs van de Pacific War en vliegtuigen en de marine en het leven in voormalig Nederlands-Indië. De verhalen smeekten om verklarende en aanvullende informatie, waarnaar ik dus op zoek ben gegaan. Zo kwam het dagboek van mijn oma Maria over de kamptijd, maar waarvan de eerste hoofdstukken zijn gewijd aan het leven in Indië in vrijheid, ook nog mooi van pas.
Toen alle omroepen het filmplan, een documentaire over De Cat, hadden afgewezen, hoorde ik een wijze dame in een voordracht zeggen: ‘Wat niemand wil weten, zal zich allereerst een weg de wereld in vinden via fictie.’ Dan maar geen film, dacht ik. Dan schrijf ik wel een boek.
Alle oorlogen zijn rotoorlogen. En toch kennen we oorlog na oorlog na oorlog. Tot op de dag van vandaag. Waarom? Wat zien we niet? Misschien is het met oorlog niet anders dan met kinderen die opgroeien in een gewelddadig gezin. Zij mishandelen later vaak, en tot hun eigen verdriet, hun eigen kinderen. Mishandeling die zich tot ver in volgende generaties herhaalt tot er een kind opstaat dat ziet. De pijn ziet, de pijn begrijpt, heelt en zo de cyclus doorbreekt. Maar wat je niet weet, kan niet helen. En wat niet heelt, herhaalt zich.
Ik had geen weet van mijn familiegeschiedenis. Van het stukje verborgen oorlog in mij. Zoals wellicht in velen van ons hier vandaag? En misschien zit er wel een stukje oorlog in ons allemaal. Niet zo zeer een direct persoonlijke ervaring, maar een stukje collectief trauma. Verdriet dat we deel uitmaken van een soort, van het mensdom, dat tot zulke ongekende gruwelijkheden in staat is. Dat we elkaar dit aandoen, dat we elkaar dit aan kúnnen doen. Na mijn research, na het schrijven van dit boek, zie ik geen good guys en bad guys meer. In welke oorlog dan ook. Ik zie alleen maar gewone jongens. Aan beide zijden. Gewone jonge mensen die ruw uit hun leventje zijn gerukt en achter een wapen gekwakt. In een wereld van dood en verderf. Waar de meest kwetsbaren doordraaien en ongekende gruwelijkheden begaan – bovenop de gruwel van oorlog an sich.
Met De Cat en de val van Java hoop ik een stukje van onze Nederlandse geschiedenis uit de vergetelheid te halen. Een klein monumentje neer te zetten voor al die gewone Hollandse jongens van toen die iedere dag weer dapper de rotzooi tegemoet traden. Ze hebben bergen werk verzet in hun machtig mooie Catalina-vliegboten. Dit boek is geen Hollywood-verhaal met good guys en bad guys, cliffhangers en plot-twists. Ik heb de kranten van toen erop nageslagen, diverse literatuur geraadpleegd en alle aangrijpende verhalen uit de dagboeken gebundeld, in een poging weer te geven hoe het werkelijk was, die laatste maand voor de val van Java.
En wie weet. Wie weet helpt het ons om onszelf en oorlog een beetje beter te begrijpen. Oorlog is geen Hollywood-film. Nee. Ergens onderweg in dit leven, zijn we iets vergeten. Iets dat Saburo en de Amerikaanse vlieger zich wel hebben weten te herinneren. We zijn vergeten onszelf te herkennen in een ander. En wanneer we ons dit weer weten te herinneren, wie weet kunnen we dan helen van al die rotoorlogen en ons afvragen wie er nu werkelijk oorlog wil en waarom. Want als wij het niet willen en de soldaten het niet willen – wie dan wel?
En, heel misschien, zijn we dan in staat de cyclus te doorbreken, hoeven we de geschiedenis niet langer te herhalen en blijft dit trauma alle toekomstige ‘Luuks’ en ‘Saburo’s’ en ‘Aarons’ bespaard.
Dan wil ik nu graag het eerste exemplaar overhandigen aan Mr. Catalina. Oftewel Prudent Staal. Om hem te bedanken voor onze vele mooie ontmoetingen. En dat hij met collega-vrijwilligers zo lang, gewoon hier in Nederland, een Cat in de lucht wist te houden! En toen dit financieel niet langer haalbaar was – shame on de Nederlandse regering die geen helpende hand heeft geboden om ons historisch erfgoed te beschermen – toen de Cat verkocht werd aan een Amerikaanse verzamelaar, en nadat Prudent met diezelfde club vrijwilligers de Cat naar Amerika heeft overgevlogen, jawel langs de Statue of Liberty in New York, is hij, samen met hen, begonnen aan de restauratie van een andere Catalina om tentoon te kunnen stellen in het museum. Zo dragen deze geweldige heren al decennia bij aan dat wat ik in navolging van hen nu met dit boek ook hoop te doen: die prachtige vliegboot en haar bemanningen van toen eens goed in het zonnetje zetten!
Talitha van der Hoeden
21 april 2024
We gebruiken cookies om websiteverkeer te analyseren en de ervaring op je website te optimaliseren. Als je het gebruik van cookies accepteert, worden je gegevens gecombineerd met de gegevens van alle andere gebruikers.